Taalwissel / Swap language Laatst gewijzigd: 1 februari 1999

Verwarming en zonwering

Verwarming, klimaatinstallatie, binnen- en buitenzonwering

Aangezien in de beide panden verschillende installaties aanwezig zijn, verschilt de bediening in beide panden.
Onderstaand treft u de informatie per pand aan.

Molenwerf

Klimaatinstallatie/verwarming

De in het gebouw geproduceerde warmte, welke wordt afgegeven door apparatuur, personen, verlichting en zoninstraling, wordt d.m.v. gekoelde lucht uit de roosters in het plafond gereduceerd.
Afhankelijk van de buitentemperatuur is deze lucht in temperatuur variabel, maar zowel in de zomer als in de winter beschikbaar.
De thermostaatknop van de klimaatinstallatie, welke gemonteerd is aan de gangwand, is instelbaar en wordt door de Technische Dienst ingesteld op 21 °C.

Bij lagere buitentemperaturen is naast de in het gebouw geproduceerde warmte extra verwarming noodzakelijk. Deze warmte wordt verkregen via de aan de gevel geplaatste convectoren. De convectoren zijn om en om voorzien van een instelbare thermostaatknop of een vaste convectorknop.
De thermostaatknop van de verwarming wordt door de Technische Dienst ingesteld op stand 3 (± 21 °C); de vaste convectorknop wordt dichtgedraaid.

Indien een hogere of lagere kamertemperatuur gewenst wordt, verstel dan de beide thermostaatknoppen; zo voorkomt u dat de klimaatinstallatie de ruimte zal koelen en de convector de ruimte zal verwarmen.
Bij het niet behalen van een gewenste hogere kamertemperatuur en bij een buitentemperatuur lager dan 5 °C, dient tevens de vaste convectorknop te worden opengedraaid (linksom) om een hogere temperatuur te bereiken.

Buitenzonwering

De buitenzonwering, welke zich bevindt aan de zuidoost- en westgevel, weert ca. 90% van de zonnewarmte.
Voor het waarborgen van een goede kamertemperatuur is het van belang de zonwering direct neer te laten en zodanig in te stellen dat zoninstraling wordt voorkomen.
Om tijdens de nacht en in het weekeinde stormschade te voorkomen, dient aan het einde van de werktijd de zonwering te worden opgehaald.

Binnenzonwering

De binnenzonwering (lamellen) is aangebracht om lichtweerkaatsing in de beeldschermen te voorkomen. De lamellen zijn individueel per raam instelbaar.
In gesloten stand wordt zelfs een deel van de zonnewarmte geweerd.
In de zomer is het dus aan te bevelen deze lamellen na het beëindigen van de werkzaamheden volledig te sluiten. Gedurende de rest van het jaar de lamellen gaarne openen i.v.m. daglicht t.b.v. de planten.

Overmolen

Klimaatinstallatie

De in het gebouw geproduceerde warmte, welke wordt afgegeven door apparatuur, personen, verlichting en zoninstraling, wordt d.m.v. gekoelde lucht uit de roosters in het plafond gereduceerd.
Afhankelijk van de buitentemperatuur is deze lucht in temperatuur variabel, maar zowel in de zomer als in de winter beschikbaar.
De temperatuur in het gebouw zal ten opzichte van de buitentemperatuur nooit hoger zijn dan ± 4 °C.
De kamerthermostaat welke gemonteerd is aan de gangwand, is afgesteld op een temperatuur van ± 21 °C.
Door deze thermostaat naar de + of naar de – te draaien kan de kamertemperatuur met een verschil van + 2 ° C of – 2 ° C worden geregeld.
Een wijziging van de instelling van deze thermostaat veroorzaakt een kortstondig luchtgeluid (sissen).

Verwarming

Bij lagere buitentemperaturen is naast de in het gebouw geproduceerde warmte extra verwarming noodzakelijk. Deze warmte wordt verkregen door de aan de gevel geplaatste radiatoren. De radiatoren zijn om en om voorzien van een instelbare thermostaatknop of een vaste radiatorknop.
Als de thermostaatknop is ingesteld op stand 7 en de vaste radiatorknop gesloten blijft, wordt een kamertemperatuur van ± 21 °C bereikt.
Door het verdraaien van de thermostaatknop naar een hogere of lagere stand zal de kamertemperatuur toe- of afnemen.
Bij het niet behalen van een gewenste hogere kamertemperatuur en bij een buitentemperatuur lager dan 5 °C dient de vaste radiatorknop te worden opengedraaid (linksom) om een hogere temperatuur te bereiken.

Buitenzonwering

De buitenzonwering is aangebracht om bij zoninstraling 90% van de zonnewarmte te weren.
Voor het waarborgen van een goede kamertemperatuur, is het van belang de zonwering direct neer te laten en zodanig in te stellen dat zoninstraling wordt voorkomen.
Om tijdens de nacht en in het weekeinde stormschade te voorkomen, dient aan het einde van de werktijd de zonwering te worden opgehaald.

Binnenzonwering

De binnenzonwering (lamellen) is aangebracht om lichtweerkaatsing in de beeldschermen te voorkomen. De lamellen zijn individueel per raam instelbaar.
In gesloten stand wordt zelfs een deel van de zonnewarmte geweerd.
In de zomer is het dus aan te bevelen deze lamellen na het beëindigen van de werkzaamheden volledig te sluiten. Gedurende de rest van het jaar de lamellen gaarne openen i.v.m. daglicht t.b.v. de planten.


Wilt u reageren op dit deelterrein van Algemene Zaken? Stuur dan een e-mailbericht aan Henk Vagevuur (Coördinator Technische Dienst) of bel tsl. 2470.

Terug naar de homepage van deze web-site.