De experimentele regeling verlof à la carte die met ingang van het eerstvolgende vakantiejaar dat aanvangt na 1 juli 1996 van kracht is, wordt gedurende de looptijd van deze CAO, die loopt van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 2000 voortgezet.
Voor een verklaring van de gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de CAO.
In het kader van deze regeling is het de werknemer met een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd toegestaan bij het begin van elk vakantiejaar van het hem in dat vakantiejaar toekomende aantal vakantiedagen, met in achtneming van het bepaalde in Artikel 5 van dit reglement, maximaal vijf maal de waarde van een vakantiedag uitgedrukt in uren te reserveren als verlofuren à la carte.
In afwijking van het in lid 1 van dit artikel bepaalde is het de werknemer die langer dan zes maanden arbeidsongeschikt is niet langer toege carte te reserveren.
In aanvulling op het bepaalde in Artikel 3 van dit reglement is het de in dat Artikel bedoelde werknemer eenmalig toegestaan van het hem in het op 1 juli 1996 lopende vakantiejaar toekomende aantal vakantiedagen, met in achtneming van het bepaalde in Artikel 5, maximaal vijf maal de waarde van een vakantiedag, uitgedrukt in uren, te reserveren als verlof uren à la carte.
De in Artikel 3 bedoelde werknemer dient op grond van het bepaalde in artikel 7: 634 BW per vakantiejaar tenminste 20 vakantiedagen (bij een volledig dienstverband) in natura te genieten.
Verlof à la carte dient separaat van de overige vakantiedagen te worden geregistreerd. De registratie van verlof à la carte geschiedt in uren. De werknemer ontvangt van de wekgever aan het begin van het vakantiejaar een overzicht van het totale aantal geregistreerde verlofuren à la carte, uitgesplitst naar het tijdstip waarop deze zijn verworven.
Tenzij hierna anders bepaald, zal de werkgever ten aanzien van de verlofuren à la carte geen beroep doen op het bepaalde in Artikel 7: 642 BW (verjaring vorderingsrecht tot toekenning van vakantie na verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het recht is ontstaan.
Verlofuren à la carte welke niet zijn opgenomen binnen acht jaar na het tijdstip waarop deze zijn verworven, vervallen. Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het tijdstip waarop verlofuren à la carte vervallen, treden werkgever en werknemer met elkaar in overleg teneinde data vast te stellen waarop de werknemer deze uren zal opnemen.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 van dit Artikel vervallen verlofuren à la carte niet zodra de werknemer langer dan zes maanden onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
De in Artikel 3 bedoelde werknemer heeft het recht de verlofuren à la carte aan te wenden voor extra vrije tijd in aansluiting op of tijdens zijn wettelijk ouderschapsverlof, en wel één verlofuur à la carte voor één uur vrije tijd.
Voorbeeld 1.
Een werknemer met een volledig dienstverband (36 uur per week) heeft in
zes
jaar 30 verlofdagen (=30 × 7, 2 = 215 verlofuren) gespaard. Hij neemt zijn wet telijke ouderschapsverlof op en gaat gedurende zes maanden 20 uur per week
werken (onbetaald deeltijdverlof van 16 uur per week). Door aanwending van
216 verlofuren kan hij na afloop van die periode van zes maanden nog geduren de 13, 5 week 20 uur per week werken (betaald deeltijdverlof gedurende nog
eens 13, 5 week).
Voorbeeld 2.
De werknemer uit voorbeeld 1 had de gespaarde 216 verlofuren ook kunnen
gebruiken voor een hoger inkomen tijdens de periode van het wettelijk
ouderschapsverlof. In plaats van zes maanden 20 uur per week betaald
krijgen, had
hij de 216 uren kunnen spreiden over zes maanden (=26 weken), waardoor hij
bij 20 uur per week werken 28, 3 uur per week betaald krijgt (d.w.z. betaald deeltijdverlof van 8, 3 uur en onbetaald deeltijdverlof van 7, 7 uur gedurende
de
periode van het wettelijk ouderschapsverlof).
In afwijking van het in lid 1 van dit artikel bepaalde kan de in Artikel 3 bedoelde werknemer in overleg met de werkgever zijn tegoed verlofuren à la carte al of niet aaneengesloten opnemen ook voor andere doeleinden dan in lid 1 genoemd en wel één verlofuur à la carte voor één uur vrije tijd, mits de werknemer het verzoek tot opname van de verlofuren à la carte uiterlijk zes maanden van tevoren bij de werkgever heeft ingediend. De werkgever zal zijn instemming slechts weigeren indien zwaarwegende bedrijfsomstandigheden zich hiertegen verzetten. Het bepaalde in lid 1, 3 en 4 van Artikel 7: 638 BW is van overeenkomstige toepassing.
Bij het eindigen van de dienstbetrekking zal er naar worden gestreefd dat de werknemer in de gelegenheid wordt gesteld de hem nog toekomende verlofuren à la carte op te nemen, met dien verstande dat niet eenzijdig kan worden bepaald dat de verlofuren à la carte kunnen worden opgenomen gedurende de opzegtermijn. In geen ander geval dan bij het einde van de dienstbetrekking zullen niet opgenomen verlofuren à la carte worden uitbetaald.
De werkgever kan in aanvulling op het bepaalde in dit reglement afspraken inzake verlofuren à la carte maken in overleg met zijn Ondernemingsraad, of bij ontstentenis daarvan, met de voltallige personeelsvergadering.
CAO-partijen zullen de werking van Artikel 15A van de CAO voor het einde van de looptijd van de CAO evalueren.