S 2.5.c.4.5.
01-01-1998
2.0 HANDBOEK PERSONEEL EN ORGANISATIE: Pensioenregeling A van de
Stichting Pensioenfonds Elsevier-Ondernemingen
Pensioenreglement A van de
Stichting Pensioenfonds Elsevier-
Ondernemingen(januari 1998)
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit pensioenreglement gelden de begripsomschrijvingen van de statuten. Voorts wordt verstaan onder:
a. fonds:
Stichting Pensioenfonds Elsevier-Ondernemingen;
b. statuten:
de statuten van het fonds;
c. bestuur:
het in artikel 5 van de statuten bedoelde bestuur;
d. onderneming:
een onderneming die zich voor de uitvoering van dit pensioenreglement bij het fonds heeft aangesloten overeenkomstig artikel 3 lid 7 van de statuten;
e. werkgevers:
de collectiviteit van ondernemingen die Reed Elsevier Nederland B.V. hebben gemachtigd hen in en buiten rechte te vertegenwoordigen tegenover het fonds conform artikel 3 lid 7 van de statuten;
f. deelnemer:
degene die ingevolge artikel 2 lid 1 tot het fonds is toegetreden en van wie de deelneming niet ingevolge artikel 2 lid 3 is geëindigd;
g. adspirant-deelnemer:
degene die overigens voldoet aan het bepaalde in artikel 2 lid 1 maar de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft bereikt;
h. gewezen deelnemer:
degene van wie de deelneming vóór de pensioendatum is geëindigd ingevolge artikel 2 lid 3 sub b en sub c en die op grond van artikel 12 een premievrije aanspraak op pensioenen heeft verworven en deze heeft behouden;
i. gepensioneerde:
degene aan wie krachtens dit reglement een pensioen wordt uitgekeerd;
j. gepensioneerde deelnemer:
de gepensioneerde die onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen deelnemer was;
k. gepensioneerde gewezen deelnemer:
de gepensioneerde die onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gewezen deelnemer was;
l. partner:
2. de man of vrouw met wie de deelnemer, de adspirant-deelnemer, de gewezen deelnemer, de gepensioneerde deelnemer of de gepensioneerde gewezen deelnemer een conform het Burgerlijk Wetboek geregistreerd partnerschap bij de burgerlijke stand is aangegaan, of
3. de ongehuwde man of vrouw, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de rechte lijn, met wie de ongehuwde deelnemer, de ongehuwde adspirant-deelnemer, de ongehuwde gewezen deelnemer, de ongehuwde gepensioneerde deelnemer of de ongehuwde gepensioneerde gewezen deelnemer een gezamenlijke huishouding voert op basis van een samenlevingscontract dat notarieel is verleden, mits de partner als zodanig bij het fonds is aangemeld en voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 5. Tevens dient ten genoegen van het bestuur te worden aangetoond dat de gezamenlijke huishouding reeds zes maanden heeft geduurd.
Voor de toepassing van het pensioenreglement kan een deelnemer te zelfder tijd slechts één partner hebben.
m. gewezen partner:
de partner wiens huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap c.q. gezamenlijke huishouding met een deelnemer, gewezen deelnemer, gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer is geëindigd door scheiding zoals bedoeld in artikel 15a lid 1;
n. kind:
het wettige, gewettigde , erkende, natuurlijke of geadopteerde kind van de deelnemer;
o. pensioendatum:
de eerste dag van de maand waarin de 65-ste verjaardag van de deelnemer valt;
p. ingangsdatum van het ouderdomspensioen:
de pensioendatum, dan wel — indien van de mogelijkheid tot vervroeging dan wel uitstel van de pensioendatum gebruik wordt gemaakt — de eerdere respectievelijk latere datum waarop het ouderdomspensioen tot uitkering komt.
q. CAO:
de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Boekenuitgeverijbedrijf.
r. (her)verzekeraar:
de in artikel 3 lid 3 van de statuten bedoelde rechtspersoon; de met de (her)verzekeraar overeengekomen voorwaarden liggen ter inzage bij het fonds;
s. werkfactor:
de verhouding tussen de met de deelnemer overeengekomen wekelijkse arbeidsduur en de normale wekelijkse arbeidsduur volgens de voor hem geldende collectieve arbeidsovereenkomst;
t. deelnemingsmaand:
iedere maand waarover de deelnemer bij het fonds pensioen opbouwt, vermenigvuldigd met de werkfactor over die maand. Hierbij wordt het bepaalde in artikel 13a, artikel 13b, of artikel 6 lid 5 en lid 6 (omrekening aantal deelnemingsmaanden) in acht genomen.
u. SDS:
Stichting Dienstverlening Samenwerkingsverband. Deze stichting heeft ten doel de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van werkgevers, pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen in het kader van de tussen hen geldende overeenkomst strekkende tot overdracht van waarden van verworven pensioenaanspraken bij wisseling van dienstverband.
Deze overeenkomst ligt ter inzage bij het fonds.
v. FVP:
Fonds Voorheffing Pensioenverzekering. De rentebaten van dit overheidsfonds worden met ingang van 1988 aangewend voor onder andere gedeeltelijke bestrijding van pensioenbreuk die ontstaat bij werkloosheid na de 40-jarige leeftijd. De Bijdrageregelen FVP liggen ter inzage bij het fonds.
Overal waar in dit reglement de mannelijke vorm wordt gebruikt, geldt het gestelde zowel voor mannen als voor vrouwen.
Artikel 2. Voorwaarden voor deelneming en begin en einde van de deelneming
1. Deelnemer in het fonds is de werknemer die met een onderneming een dienstverband is aangegaan, de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt en van wie de deelneming aan de in dit reglement omschreven pensioenregeling is bepaald in de arbeidsovereenkomst. Tevens dient de werknemer te behoren tot de (categorie van) personen waarvoor de onderneming zich bij het fonds heeft aangesloten.
3. De deelneming eindigt :
a. op de datum waarop het volledige ouderdomspensioen (vervroegd) ingaat;
b. bij beëindiging van het dienstverband met een onderneming vóór de pensioendatum, behoudens voor zover en zolang het gestelde in lid 4 van dit artikel van toepassing is;
c. bij opzegging van de aansluiting van een onderneming van de in artikel 3 lid 6 van de statuten bedoelde overeenkomst voor alle deelnemers of een categorie van deelnemers in dienst van deze onderneming;
d. bij overlijden.
4. Bij beëindiging van het dienstverband eindigt de deelneming niet in elk van de volgende gevallen:
a. indien de deelnemer gebruik maakt van een voor hem openstaande regeling vervroegd uittreden (VUT-regeling);
b. indien op de deelnemer na beëindiging van het dienstverband wegens reorganisatie een sociaal plan, zoals bedoeld in de voor hem geldende collectieve arbeidsovereenkomst, van toepassing is waarin vermeld staat dat de pensioenverzekering voor deze deelnemer wordt voortgezet;
c. indien na beëindiging van het dienstverband voor de deelnemer aanspraak bestaat op voortzetting van de pensioenopbouw ten laste van het FVP;
d. indien na beëindiging van het dienstverband voor de deelnemer aanspraak bestaat op voorzetting van de pensioenopbouw krachtens artikel 11;
sing is.
5. Iedere (adspirant-)deelnemer wordt bij aanvang van het
(adspirant-) deelnemerschap door het bestuur van het fonds
schriftelijk op de hoogte gesteld van de inhoud van de geldende statuten en reglementen van het fonds. Jaarlijks
stelt het bestuur hen schriftelijk op de hoogte van daarin aangebrachte wijzigingen.
Het bestuur stelt de belanghebbenden in staat desgewenst van de geldende statuten en reglementen kennis te nemen.
Artikel 3. Aanspraak op pensioenen
1. De deelnemer heeft aanspraak op:
a. Een ouderdomspensioen overeenkomstig artikel 7;
b. Een partnerpensioen en een tijdelijk partnerpensioen overeenkomstig artikel 8 ten behoeve van zijn partner mits het huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap vóór de pensioendatum, is aangegaan dan wel vóór de pensioendatum aan de voorwaarden voor acceptatie van een partner, zoals bedoeld in artikel 5 is voldaan;
c. Een wezenpensioen overeenkomstig artikel 9 ten behoeve van zijn kinderen.
2. De adspirant-deelnemer heeft aanspraak op partnerpensioen en tijdelijk partnerpensioen voor zijn partner en wezenpensioen voor zijn kinderen. Bij de beëindiging van het dienstverband van de adspirant-deelnemer anders dan door overlijden vervallen deze aanspraken.
Indien het dienstverband met een adspirant-deelnemer wegens arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd vóór de datum waarop hij de 25-jarige leeftijd bereikt, wordt deze op de datum van beëindiging van het dienstverband opgenomen als deelnemer, waarna het gestelde in artikel 11 toepassing vindt.
Artikel 4. Verplichtingen
Degene die aan de bepalingen van dit pensioenreglement rechten ontleent, is verplicht medewerking te verlenen aan de juiste uitvoering van de pensioenregeling en het bestuur alle inlichtingen en gegevens te verstrekken die het bestuur nodig oordeelt voor een goede uitvoering van dit pensioenreglement. Het niet voldoen aan deze verplichting kan de aanspraak op pensioen geheel of gedeeltelijk teniet doen.
Artikel 5. Voorschriften met betrekking tot de bewijsvoering van een gezamenlijke huishouding
1. Ten bewijze van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1 sub l, onder 3 dient de deelnemer, de adspirant-deelnemer of de gewezen deelnemer aan het fonds een notarieel verleden samenlevingscontract te overleggen. In dit samenlevingscontract moeten ten minste worden opgenomen:
- de geboortedata van beide partners;
- enige vermogensrechtelijke aangelegenheden.
De deelnemer, adspirant-deelnemer of gewezen deelnemer dient er voor in te staan dat de in de akte vermelde gegevens juist zijn.
Indien aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan bevestigt het fonds aan betrokkene de acceptatie van de partner.
2. De deelnemer of adspirant-deelnemer dient jaarlijks in de maand december aan het fonds een door hem en zijn partner ondertekende verklaring te overleggen, waaruit de gezamenlijke huishouding blijkt.
3. De gezamenlijke huishouding wordt geacht te zijn beëindigd op:
a. de datum van overlijden van de partner;
b. de datum waarop de gezamenlijke huishouding blijkens een door de deelnemer en de partner ondertekende verklaring is beëindigd;
c. de datum waarop de deelnemer of de partner in het huwelijk is getreden of een geregistreerd partnerschap is aangegaan dan wel de datum waarop het fonds overeenkomstig het bepaalde in lid 1 een andere partner accepteert;
d. 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin voor het laatst de in lid 2 bedoelde verklaring aan het fonds is overgelegd.
Artikel 6. Pensioengrondslag
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. maandsalaris:
het overeengekomen vaste bruto salaris per maand (inclusief een eventuele prestatie- en/of persoonlijke toeslag); het maandsalaris van een deelnemer wiens overeengekomen wekelijkse arbeidsduur korter is dan de normale wekelijkse arbeidsduur, wordt vastgesteld op het maandsalaris dat hij bij de normale wekelijkse arbeidsduur zou genieten;
b. jaarsalaris:
13,96 maal het maandsalaris, tenzij in de aansluitingsovereenkomst, bedoeld in artikel 3 lid 7 van de statuten, een afwijkende omschrijving van het jaarsalaris wordt gegeven; in dat geval geldt de omschrijving in de aansluitingsovereenkomst;
c. AOW-uitkering:
twaalf maal de uitkering zoals bedoeld in artikel 9 lid 10 sub b van de Algemene Ouderdomswet (AOW), vermeerderd met de daarbij behorende vakantie-uitkering zoals bedoeld in artikel 29 lid 9 sub d van de AOW, exclusief het als overhevelingstoeslag te beschouwen bedrag;
d. overhevelingstoeslag:
het bedrag als vermeld in de ministeriële beschikking genoemd in artikel 81 lid 3 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies.
e. franchise:
twee maal de AOW-uitkering vermenigvuldigd met 1,2.
2. Aan het begin van ieder kalenderjaar wordt voor de deelnemer de pensioengrondslag vastgesteld op basis van het maandsalaris en de AOW-uitkering per 1 januari van dat jaar.
De pensioengrondslag is gelijk aan het jaarsalaris verminderd met de franchise. Indien de franchise groter is dan het jaarsalaris wordt de pensioengrondslag op nul gesteld.
3. Indien en voor zover het percentage van de algemene structurele salarisaanpassing krachtens de CAO in enig kalenderjaar of over een aantal opvolgende kalenderjaren beduidend afwijkt van de procentuele wijziging van de in lid 1 genoemde AOW-uitkering, zal het bestuur de hoogte van de franchise in heroverweging nemen.
4. Voor een deelnemer wiens deelneming in de loop van het kalenderjaar aanvangt, wordt de pensioengrondslag in afwijking van het in lid 2 bepaalde vastgesteld op basis van het maandsalaris op het tijdstip waarop de deelneming aanvangt.
5. Indien van een deelnemer van 55 jaar of ouder de pensioengrondslag hoger is dan de pensioengrondslag van het voorafgaande jaar wordt telkens per 1 januari voor deze deelnemer ter toetsing de PGBS vastgesteld:
PGBS = de pensioengrondslag welke berekend wordt aan de hand van het voorafgaande maandsalaris aangepast aan de structurele salarisaanpassingen krachtens de CAO en daarna verhoogd met 3%, waarbij het voorafgaande maandsalaris gelijk is aan het maandsalaris op basis waarvan de voorafgaande pensioengrondslag is vastgesteld.
Indien de pensioengrondslag hoger is dan de PGBS, wordt per 1 januari het aantal deelnemingsmaanden als volgt verlaagd:
dmOM = (PGBS/PG) x A
waarbij:
dmOM = het omgerekende aantal verstreken deelnemingsmaanden
PGBS = de toegestane pensioengrondslag, zoals hiervoor omschreven
PG = de pensioengrondslag
A = het aantal verstreken deelnemingsmaanden
6. Indien de pensioengrondslag lager is dan de pensioengrondslag van het voorafgaande jaar wordt het aantal deelnemingsmaanden als volgt verhoogd:
dmOM =(PGVOOR/PG) x A
waarbij:
dmOM = het omgerekende aantal verstreken deelnemingsmaanden
PGVOOR = de pensioengrondslag van het voorafgaande jaar
PG = de pensioengrondslag
A = het aantal verstreken deelnemingsmaanden.
7. De pensioengrondslag van een deelnemer die van een VUT-regeling gebruik maakt, wordt in afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel, gebaseerd op het maandsalaris op 1 januari van het jaar waarin het dienstverband van de deelnemer met de onderneming is beëindigd. Het maandsalaris wordt nadien aan het begin van ieder kalenderjaar aangepast aan de hand van de algemene structurele salarisaanpassingen krachtens de CAO.
8. In de gevallen genoemd in artikel 2 lid 4 sub b,c en d wordt de pensioengrondslag van de deelnemer in afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel aan het begin van ieder kalenderjaar aangepast aan de hand van de algemene structurele salarisaanpassingen krachtens de CAO.
9. De vaststelling van pensioengrondslagen volgens de leden 2 en 4 tot en met 8 van dit artikel vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in artikel 18.
Artikel 7. Ouderdomspensioen
1. Het ouderdomspensioen wordt aan de deelnemer uitgekeerd vanaf de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, tot en met de maand van zijn overlijden.
2. Het in het vooruitzicht gestelde jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt voor een deelnemer:
(A/12) x 1,75% x de pensioengrondslag
waarbij:
A = het aantal te behalen deelnemingsmaanden.
Maanden, gelegen tussen het moment van vaststelling van het in het vooruitzicht gestelde ouderdomspensioen en de pensioendatum worden daarbij vermenigvuldigd met de laatstgeldende werkfactor.
4. De aanspraak op ouderdomspensioen van een deelnemer, gewezen deelnemer, gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer kan zonder toestemming van diens partner als bedoeld in artikel 1 sub l, onder 1 of 2 niet bij overeenkomst tussen die deelnemer, gewezen deelnemer, gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer en het fonds of de werkgevers worden verminderd, anders dan bij afkoop zoals voorzien bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet, tenzij de partners het recht op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten.
Artikel 7a. Keuzemogelijkheid: toeslag op het ouderdomspensioen in ruil voor partnerpensioen
1. Met ingang van 1 januari 1997 kan de deelnemer of gewezen deelnemer eenmalig, direct voorafgaande aan het bereiken van de pensioendatum dan wel —indien van de in artikel 7b lid 1 geboden mogelijkheid tot vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gebruik wordt gemaakt— direct voorafgaande aan het bereiken van de eerdere datum waarop het ouderdomspensioen ingaat, kiezen voor een toeslag op de aanspraak op ouderdomspensioen in plaats van een aanspraak op levenslang en tijdelijk partnerpensioen krachtens artikel 8.
3. De toeslag op het ouderdomspensioen van de deelnemer of gewezen deelnemer in plaats van de aanspraak op levenslang en tijdelijk partnerpensioen, vindt slechts plaats indien het in lid 2 bedoelde keuzeformulier vóór de ingangsdatum van het ouderdomspensioen door de deelnemer of gewezen deelnemer en diens partner is ondertekend en bij het fonds is ingediend.
4. Indien vóór de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, reeds een aanspraak op bijzonder partnerpensioen is toegekend, wordt een toeslag slechts toegepast op het tot de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, opgebouwde ouderdomspensioen, nadat dit is verminderd met het ouderdomspensioen waarvan dat bijzonder partnerpensioen op de scheidingsdatum is afgeleid, rekening houdend met de (toegekende) verhogingen als bedoeld in artikel 16.
5. Op deelnemers als bedoeld in artikel 24 lid 1 sub b en c die ingevolge het voorgaande lid hun aanspraak op levenslang en tijdelijk partnerpensioen vervangen door een toeslag op het ouderdomspensioen, is het bepaalde in de laatste volzin van Overgangsartikel 1 sub d van dit pensioenreglement van toepassing.
Artikel 7b. Flexibiliteit: Vervroeging, uitstel, variabele
uitkeringshoogte
a. de deelnemer of gewezen deelnemer dient zijn voornemen om vóór de pensioendatum uit te treden ten minste drie maanden vóór de gewenste ingangsdatum aan het fonds kenbaar te maken;
b. het door de deelnemer of gewezen deelnemer in dit kader opgebouwde ouderdomspensioen wordt vervroegd naar de in sub a bedoelde ingangsdatum en op verzekeringstechnisch (actuarieel)-neutrale wijze verlaagd; één en ander op basis van de in lid 3 van dit artikel opgenomen tabel;
c. bij een eventuele wijziging van de gemaakte keuze, welke altijd ten minste drie maanden vóór de in sub a. bedoelde ingangsdatum aan het fonds moet worden kenbaar gemaakt, kan door het bestuur een onderzoek naar de gezondheid van de deelnemer of gewezen deelnemer c.q. zijn partner worden gedaan; op basis van de uitkomsten van dit onderzoek kan het bestuur besluiten het wijzigen van de gemaakte keuze af te wijzen.
d. Ten bewijze van het fonds dient de partner van de deelnemer of gewezen deelnemer schriftelijk met de wijziging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te hebben ingestemd.
|
Ingangsdatum |
Percentage |
|
60 |
70 |
|
61 |
75 |
|
62 |
80 |
|
63 |
86 |
|
64 |
93 |
|
65 |
100 |
|
66 |
108 |
|
67 |
117 |
|
68 |
128 |
|
69 |
140 |
|
70 |
153 |
a. hoger is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen en in de periode daarna lager is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen, of
b. lager is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen en in de periode daarna hoger is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen.
Daarbij wordt uitgegaan van een verhouding tussen het hogere bedrag en het lagere bedrag van 4:3. De berekening is door het fonds vastgesteld op basis van verzekeringstechnische (actuariële) gelijkwaardigheid.
Bij het bepaalde in dit artikel is artikel 7 lid 4 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.
Uitgedrukt in procenten van het ingegane pensioen op de pensioendatum of de eerdere of latere ingangsdatum conform lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt het uit te keren pensioen bij de keuze:
Ingangs- 10 jaar 5 jaar 5 jaar 10 jaar
datum hoog, hoog, laag, laag,
dan laag dan laag dan hoog dan hoog
60 113/85 121/91 81/108 87/116
61 113/84 121/91 81/108 87/116
62 112/84 121/90 81/109 87/116
63 112/84 120/90 82/109 88/117
64 111/84 120/90 82/109 88/117
65 111/83 120/90 82/109 88/118
66 110/83 119/89 82/110 89/118
67 110/83 119/89 83/110 89/119
68 110/82 118/89 83/110 90/120
69 109/82 118/89 83/111 90/120
70 109/81 118/88 83/111 91/121
Artikel 8. Partnerpensioen, bijzonder partnerpensioen en tijdelijk partnerpensioen
1. Het partnerpensioen respectievelijk het bijzonder partnerpensioen als bedoeld in artikel 15a wordt aan de partner respectievelijk gewezen partner uitgekeerd vanaf de maand volgend op het overlijden van de deelnemer, de adspirant-deelnemer, de gewezen deelnemer, de gepensioneerde deelnemer of de gepensioneerde gewezen deelnemer tot en met de maand waarin de partner respectievelijk gewezen partner overlijdt.
pensioen overeenkomstig het bepaalde in de letters b, c, e en f van dit lid, wordt uitgegaan van het ouderdomspensioen waarop de deelnemer, de adspirant-deelnemer, de gepensioneerde deelnemer of de gepensioneerde gewezen deelnemer recht heeft, indien de verlaging of verhoging als bedoeld in artikel 7b lid 1 respectievelijk lid 2 niet zou zijn toegepast en er geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid tot omzetting van het ouderdomspensioen in variabele uitkeringen als bedoeld in artikel 7b lid 4. Bij de vaststelling van het tijdelijk partnerpensioen voor de partner van de deelnemer, de adspirant-deelnemer of gepensioneerde deelnemer conform het bepaalde in de letters b tot en met f van dit lid, is het in de vorige volzin bepaalde van overeenkomstige toepassing.
b. Het partnerpensioen respectievelijk tijdelijk partnerpensioen bedraagt bij overlijden van een gepensioneerde deelnemer 70% respectievelijk 30% van het ingegane ouderdomspensioen, een en ander met inachtneming met het bepaalde onder letter d.
c. Bij overlijden van een (adspirant-) deelnemer vóór de ingangsdatum van het ouderdomspensioen is het partnerpensioen respectievelijk tijdelijk partnerpensioen, met inachtneming van het bepaalde onder letter c, gelijk aan 70%, respectievelijk 30% van het ouderdomspensioen dat de (adspirant-) deelnemer had kunnen behalen indien hij/zij tot de pensioendatum, dan wel de ingevolge artikel 7b overeengekomen ingangsdatum van het ouderdomspensioen zou hebben deelgenomen, met een pensioengrondslag gelijk aan de laatstgeldende pensioengrondslag;
d. Het onder letter b en c bedoelde tijdelijk partnerpensioen voor de deelnemer en de adspirant-deelnemer, de gepensioneerde deelnemer en hun nabestaanden bedraagt ten minste de hoogste van de twee navolgende uitkomsten:
1. 10% van het voor de deelnemer, adspirant-deelnemer of gepensioneerde deelnemer laatstgeldende jaarsalaris, vermenigvuldigd met de laatstgeldende werkfactor; na de pensioendatum dan wel de datum waarop het ouderdomspensioen vervroegd ingaat, wordt dit bedrag aan het begin van ieder kalenderjaar aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 16.
2. met ingang van 1 juli 1996 f 15.000,-, vermenigvuldigd met de laatstgeldende werkfactor. De hoogte van dit bedrag wordt aan het begin van ieder kalenderjaar aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 16.
e. Het partnerpensioen bedraagt bij overlijden van een gewezen deelnemer vóór de pensioendatum 70% van het ouderdomspensioen waarop de gewezen deelnemer bij beëindiging van het deelnemerschap aanspraak heeft verkregen.
f. Het partnerpensioen bedraagt bij overlijden van een gepensioneerde gewezen deelnemer 70% van het ingegane ouderdomspensioen.
5. Op het in het vooruitzicht gestelde partnerpensioen worden alle ooit toegekende aanspraken op bijzonder partnerpensioen in mindering gebracht, behalve een bijzonder partnerpensioen dat is vervallen door het overlijden van een gewezen partner vóór de pensioendatum, en vóór het overlijden van de deelnemer.
6. Indien de overledene meer dan 10 jaar ouder was dan zijn partner of gewezen partner, worden de overeenkomstig dit artikel of artikel 15a uit te keren pensioenen met 2,5% van deze pensioenen verminderd voor elk vol jaar dat de overledene meer dan 10 jaar ouder was dan zijn partner of gewezen partner.
7. Een aanspraak op partnerpensioen ten behoeve van de partner van een deelnemer, adspirant-deelnemer, gewezen deelnemer, gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer kan zonder toestemming van die partner niet bij overeenkomst tussen de deelnemer, adspirant-deelnemer, gewezen deelnemer, gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer en het fonds of werkgevers worden verminderd anders dan bij afkoop zoals voorzien bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet. Elk beding strijdig met het bepaalde in de vorige volzin is nietig.
Artikel 9. Wezenpensioen
1. Wezenpensioen wordt uitgekeerd aan het kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, vanaf de maand volgend op het overlijden van de deelnemer, de adspirant-deelnemer, de gewezen deelnemer, de gepensioneerde deelnemer of de gepensioneerde gewezen deelnemer tot en met de maand waarin het kind 18 jaar wordt, of bij eerder overlijden van het kind tot en met de maand van zijn overlijden. Bovendien wordt, indien en zolang het kind na de 18-jarige leeftijd onderwijs of een beroepsopleiding volgt, één en ander in de zin van de Wet op de studiefinanciering of de Algemene Kinderbijslagwet, wezenpensioen uitgekeerd, echter uiterlijk tot en met de maand waarin het kind 27 jaar wordt.
pensioen op de wijze als omschreven in de letters b tot en met d van dit lid, is het bepaalde in de eerste volzin van artikel 8 lid 3, sub a, van overeenkomstige toepassing.
b. Het wezenpensioen bedraagt bij overlijden van een
gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer voor ieder kind 20% van het ingegane ouderdomspensioen;
c. Bij overlijden van een (aspirant-) deelnemer vóór de ingangsdatum van het ouderdomspensioen is het wezenpensioen voor ieder kind gelijk aan 20% van het ouderdomspensioen dat de (adspirant-) deelnemer had kunnen behalen indien hij/zij tot de pensioendatum, dan wel de ingevolge artikel 7b overeengekomen ingangsdatum van het ouderdomspensioen zou hebben deelgenomen, met een pensioengrondslag gelijk aan de laatstgeldende pensioengrondslag;
d. Bij overlijden van een gewezen deelnemer is het wezenpensioen voor ieder kind gelijk aan 20% van de premievrije aanspraak op ouderdomspensioen.
4. Het bedrag van het wezenpensioen wordt verdubbeld indien beide ouders zijn overleden.
Artikel 10. Aftrek van pensioenuitkeringen uit de bedrijfstak
De vaststelling van de op grond van dit pensioenreglement te verkrijgen pensioenen geschiedt onder aftrek van pensioenen waarop voor een deelnemer aanspraak uit hoofde van het dienstverband met een onderneming bestaat tegenover enig bedrijfspensioenfonds indien deze aanspraak berust op dezelfde periode van deelneming. In dat geval wordt met deze deelnemer een regeling getroffen voor de vaststelling van de eigen bijdrage.
Artikel 11. Voortzetting pensioenopbouw na beëindiging dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid
1. Voor een deelnemer wiens dienstverband met de onderneming wordt beëindigd wegens arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), wordt de pensioenverzekering premievrij voortgezet zolang zijn arbeidsongeschiktheid voortduurt.
2. De pensioengrondslag geldend bij beëindiging van het dienstverband, wordt jaarlijks aangepast volgens het gestelde in artikel 6 lid 8.
3. In afwijking van artikel 1 sub s wordt bij de vaststelling van het ouderdomspensioen bedoeld in artikel 7 lid 2, voor elke maand gedurende de voortzetting uitgegaan van de werkfactor zoals deze gold bij beëindiging van het dienstverband, te vermenigvuldigen met een factor volgens de navolgende tabel:
Arbeidsongeschiktheids- Reductiefactor
percentage volgens WAO op de werkfactor
op 1e dag maand
80 - 100 1
65 - 80 0,8
55 - 65 0,65
45 - 55 0,55
35 - 45 0,45
25 - 35 0,35
15 - 25 0,25
De reductiefactor wordt echter gemaximeerd op de laagste voordien voor de deelnemer vastgestelde reductiefactor.
4. Een deelnemer met premievrije opbouw wegens arbeidsongeschiktheid is verplicht het fonds onmiddellijk in kennis te stellen van elke herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Artikel 12. Aanspraak van de gewezen deelnemer op pensioenen
1. Indien de deelneming op het tijdstip waarop het dienstverband wordt beëindigd korter dan een jaar heeft geduurd, worden de van de deelnemer ingehouden eigen bijdragen aan hem gerestitueerd, behalve in het geval de pensioenaanspraken mede zijn ontleend aan het dienstverband met een vorige werkgever door toepassing van artikel 13a of 13b. Alle aanspraken op pensioen zijn daarmee vervallen. Op de gerestitueerde premies zullen de wettelijk verplichte inhoudingen plaatsvinden.
2. Wanneer het dienstverband vóór de pensioendatum eindigt, anders dan door overlijden of het vervroegd ingaan van het ouderdomspensioen ingevolge artikel 7b lid 1 en het bepaalde in artikel 2 lid 4 en lid 1 van dit artikel niet van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:
a. de gewezen deelnemer behoudt een premievrije aanspraak op de in artikel 3 lid 1 genoemde pensioenen met uitzondering van tijdelijk partnerpensioen.
b. de sub a bedoelde premievrije aanspraak wordt conform de artikelen 7, 8 en 9 vastgesteld op basis van het aantal verstreken deelnemingsmaanden krachtens deze pensioenregeling.
c. de gewezen deelnemer ontvangt een opgave van zijn premievrije aanspraak op pensioenen.
Artikel 13a. Waardeoverdracht via het SDS-circuit
1. De ondernemingen als bedoeld in artikel 1 sub d en het fonds zijn aangesloten bij de Stichting Dienstverlening Samenwerkingsverband (SDS). Genoemde ondernemingen en het fonds hebben in dat kader een overeenkomst gesloten tot overdracht van pensioenaanspraken en de waarde daarvan met andere werkgevers en hun uitvoeringsorgaan (pensioenfonds of pensioenverzekeraar). Oogmerk van die overeenkomst is het zoveel mogelijk voorkomen van pensioenverlies bij verandering van dienstbetrekking.
2. Op grond van het bepaalde in de in lid 1 bedoelde overeenkomst zullen, ingeval van een na 1 januari 1992 plaatsvindende beëindiging van de deelneming van een deelnemer als bedoeld in artikel 12 lid 2 en opname in de pensioenregeling van een andere bij SDS aangesloten werkgever of diens pensioenfonds, de aanspraken die de betrokkene jegens het fonds heeft behouden, worden omgezet in aanspraken jegens het uitvoeringsorgaan van de nieuwe werkgever. In verband hiermee verwerft de betrokkene een aantal extra voor de pensioenberekening meetellende deelnemingsmaanden in de pensioenregeling van de nieuwe werkgever of diens pensioenfonds.
3. Op grond van het bepaalde in de in lid 1 bedoelde overeenkomst zullen, in geval het dienstverband van een werknemer die deelnam in de pensioenregeling van een andere bij SDS aangesloten werkgever of diens pensioenfonds, na 1 januari 1992 wordt beëindigd en de betrokkene in dienst treedt bij een van de ondernemingen, de pensioenaanspraken die de betrokkene jegens de vorige werkgever of diens pensioenfonds heeft behouden, worden omgezet in aanspraken jegens het fonds. In verband hiermee verwerft de betrokkene een aantal extra voor de pensioenberekening meetellende deelnemingsmaanden in deze pensioenregeling.
4. Nadere regels betreffende de overdracht van pensioenaanspraken zijn opgenomen in de in lid 1 genoemde overeenkomst, die bij het fonds ter inzage ligt.
Artikel 13b. Het wettelijk recht op waardeoverdracht
1. Ingeval overdracht niet geschiedt via het in artikel 13A genoemde circuit van waardeoverdracht, zal het fonds:
a. op verzoek van een gewezen deelnemer aanspraken op pensioen afkopen, indien die afkoop er toe strekt het de rechthebbende mogelijk te maken om onder aanwending van die afkoopsom aanspraken op pensioen te verwerven bij de instelling, waar de onderneming, waaraan hij verbonden is, de toezegging omtrent pensioen ter uitvoering heeft ondergebracht.
b. op verzoek van een deelnemer een in het kader van het wettelijk recht op waardeoverdracht aangeboden afkoopsom aanwenden ter verwerving van aanspraken op pensioen voor die deelnemer.
Een en ander geschiedt indien wordt voldaan aan de in artikel 32b van de Pensioen- en spaarfondsenwet neergelegde vereisten.
2. De vaststelling van de waarde van de af te kopen aanspra- ken op pensioen, de met een aangeboden afkoopsom in te kopen aanspraken op pensioen en de procedure aangaande de waardeoverdracht, geschieden conform het Besluit reken- en proceduregels recht op waardeoverdracht.
3. Ingeval de overdracht niet geschiedt via het in artikel 13a genoemde circuit van waardeoverdracht en de leden 1 en 2 van dit artikel niet van toepassing zijn, kunnen de aan een gewezen deelnemer krachtens artikel 12 lid 2 toegekende aanspraken via waardeoverdracht worden overgedragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder conform het bepaalde in artikel 32a van de Pensioen- en spaarfondsenwet.
4. Ingeval van een vóór 8 juli 1994 plaatsvindende beëindiging van de deelneming, is het in lid 1 van dit artikel bepaalde van overeenkomstige toepassing op inkomende respectievelijk uitgaande waardeoverdrachten van pensioenaanspraken, welke niet aansluitend aan de aanvang van de deelneming respectievelijk de beëindiging van de deelneming plaatsvinden.
5. Polissen met betrekking tot verworven premievrije aanspraken - ondergebracht bij een pensioenverzekeraar - welke niet in de vorm van een overdrachtswaarde kunnen worden meegegeven, kunnen worden gesteld op naam van het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar, waarbij de nieuwe werkgever van de gewezen deelnemer de pensioenen heeft ondergebracht. Door overdracht van genoemde polissen vervallen deze aanspraken op pensioen van de gewezen deelnemer jegens het fonds.
Artikel 14. Afkoop bij/wegens emigratie
Op verzoek van de rechthebbende is op een krachtens dit reglement toegekend pensioen afkoop mogelijk, mits de rechthebbende ten genoegen van het bestuur aantoont dat hij op het tijdstip van afkoop geëmigreerd is en het bedrag aan pensioen op het tijdstip van ingang het wettelijk geldende maximum
(ƒ 1310,22; niveau 1998) niet te boven gaat.
Op deze afkopen is artikel 32 leden 5 en 6 van de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
Artikel 15a. Aanspraken bij scheiding
1. Voor het bepaalde in dit artikel wordt onder scheiding verstaan:
a. echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed;
b. beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden of door ontbinding door de rechter op verzoek van één van de partijen, anders dan door een huwelijk met dezelfde partner;
c. beëindiging van de gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5 lid 3 anders dan door overlijden of een huwelijk of geregistreerd partnerschap met de laatstelijk bij het fonds aangemelde partner.
2. De partner wiens huwelijk, geregistreerd partnerschap of gezamenlijke huishouding met een deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt een premievrije aanspraak op bijzonder partnerpensioen.
3. Het bijzonder partnerpensioen is gelijk aan de aanspraak die de deelnemer ten behoeve van zijn partner zou hebben verkregen indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd overeenkomstig artikel 12 lid 2.
De gewezen partner ontvangt een bewijs van zijn aanspraken.
4. De partner wiens huwelijk, geregistreerd partnerschap of gezamenlijke huishouding met een gewezen deelnemer of gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt een zodanige premievrije aanspraak op bijzonder partnerpensioen, als hij op dat moment zou hebben verkregen bij overlijden van de gewezen deelnemer of gepensioneerde deelnemer of gepensioneerde gewezen deelnemer. De gewezen partner ontvangt een bewijs van zijn aanspraak.
5. Het bepaalde in lid 2 en lid 4 van dit artikel vindt geen toepassing, indien de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gepensioneerde deelnemer of de gepensioneerde gewezen deelnemer en zijn partner zulks overeenkomen bij huwelijkse voorwaarden/voorwaarden van geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding, mits de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gepensioneerde deelnemer of de gepensioneerde gewezen deelnemer de eventueel benodigde extra bijdragen voldoet. De in de vorige volzin bedoelde overeenkomst is slechts geldig indien hieraan een verklaring van het fonds is gehecht dat het bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.
6. Bij scheiding van een adspirant-deelnemer wordt geen aanspraak op bijzonder partnerpensioen verleend.
Artikel 15b. Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
1. In geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed op of na 1 mei 1995 of in geval van beëindiging van het geregistreerd partnerschap, vindt verevening van het tijdens het huwelijk dan wel de duur van het geregistreerd partnerschap bij het fonds opgebouwde ouderdomspensioen plaats conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
2. Het deel van het te verevenen ouderdomspensioen van de gewezen partner als bedoeld in artikel 1 sub l, onder 1 of 2 en het bijzonder partnerpensioen, kunnen uitsluitend in geval van echtscheiding dan wel beëindiging van het gere- gistreerd partnerschap en onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit artikel, worden omgezet in een eigen premievrije aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de omzetting wordt door beide partijen overeengekomen
bij huwelijkse voorwaarden/voorwaarden van geregi streerd partnerschap of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de echtscheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap;
3. Het fonds zal niet instemmen met de beoogde omzetting als bedoeld in lid 2, indien een andere toeslagregeling is overeengekomen dan die welke is beschreven in artikel 16, of indien de omzetting die wordt overeengekomen voor het fonds verzekeringstechnisch nadelig is. Het fonds zal slechts instemmen met de omzetting indien het recht op ouderdomspensioen van de gewezen partner ingaat op de, bij het fonds geldende, pensioendatum. Het fonds kan de instemming met de omzetting afhankelijk stellen van de uitslag van een medisch onderzoek naar de gezondheid van beide partijen.
4. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing
indien partijen verevening van pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden/
voorwaarden van geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding.
5. De kosten van verevening of omzetting zal het fonds in
gelijke delen aan beide partijen in rekening brengen.
6. In geval van beëindiging van een partnerschap van onge-
huwde partners als bedoeld in artikel 1 sub l, onder 3, kan het fonds dit artikel toepassen als ware sprake van echtscheiding, indien beide partijen dit zijn overeengekomen in de notarieel verleden samenlevingsovereenkomst dan wel in een notariële akte opgemaakt bij de ontbinding van het samenlevingscontract.
7. Na omzetting in een eigen recht conform lid 2 van dit artikel, is overdracht van dit recht mogelijk mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel 13a, respectievelijk artikel 13b.
Artikel 16. Verhoging van de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken
1. Per 1 januari van elk jaar zullen de ingegane pensioenen en de premievrije aanspraken, met inachtneming van het bepaalde in artikel 18, worden verhoogd met de na 1 januari van het voorafgaande jaar tot en met 1 januari in de CAO overeengekomen structurele procentuele verhoging(en) van de bruto maandsalarissen.
2. Indien in enig jaar in de CAO wordt overeengekomen de bruto maandsalarissen structureel procentueel te verlagen, zullen de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken niet worden verlaagd. De in lid 1 bedoelde verhoging zal daarna pas weer verleend worden, wanneer in de CAO overeengekomen latere structurele procentuele verhogingen van de bruto maandsalarissen deze verlaging(en) volledig hebben gecompenseerd. De verhoging zal dan gelijk zijn aan het verschil tussen bovenbedoelde verhogingen en deze verlaging(en).
3. Indien de in de CAO overeengekomen structurele aanpassing van de bruto maandsalarissen niet een voor alle werknemers gelijk percentage bedraagt, bepaalt het bestuur de hoogte van de aanpassing in dat jaar.
Artikel 17. Financiering van de aanspraken
de werkgevers en voor 30% door de deelnemers opgebracht. De werkgevers dragen het totaal van de verschuldigde bijdragen aan het fonds af.
b. In afwijking van het in sub a bepaalde worden de extra kosten van het tijdelijk partnerpensioen, ontstaan door toepassing van artikel 8 lid 3 sub b, uitsluitend door de deelnemers opgebracht.
3. a. De maandelijkse eigen bijdrage van een deelnemer met een normale wekelijkse arbeidsduur wordt als volgt bepaald:
over gedeelte van jaarsalaris
vanaf tot bijdrage:
0 franchise 0 %
franchise 2x franchise 4,75 %
2 x franchise 7,75 %
De uitkomst van deze berekening wordt gedeeld door twaalf. Deze bijdrage wordt jaarlijks aangepast volgens de Dynamische Premiemethodiek, vastgelegd in een bijlage bij dit pensioenreglement.
b. Naast de in sub a bedoelde bijdrage is de deelnemer per 1 januari 1997 een extra bijdrage verschuldigd ten behoeve van de in lid 1 sub b van dit artikel genoemde extra kosten. Deze extra maandelijkse eigen bijdrage van een deelnemer met een normale wekelijkse arbeidsduur wordt als volgt bepaald:
over gedeelte van jaarsalaris
vanaf tot bijdrage:
franchise 2x franchise 0,7%
De uitkomst van deze berekening wordt gedeeld door twaalf. Deze extra bijdrage wordt niet aangepast volgens de Dynamische Premiemethodiek.
Artikel 18. Beperking van de pensioenopbouw en van verhoging
van de ingegane pensioenen en premievrije aan-
spraken
Indien de in artikel 9 lid 1 van de statuten onder a, b en onder d tot en met g bedoelde bijdragen naar het oordeel van het bestuur tijdelijk of blijvend ontoereikend zijn en de dekkingsgraad (het quotiënt van het pensioenvermogen en de klassieke premiereserve) beneden 100 komt, zullen zolang het bestuur met de werkgevers en de Raad van Deelnemers geen overeenstemming heeft bereikt over een extra verhoging van hun bijdragen:
- de op grond van de Dynamische Premiemethodiek voor een jaar verschuldigde bijdragen worden voldaan (i.e. maximaal 2% punten meer dan in het voorafgaande jaar), tot ten hoogste 17% van de salarissom.
- de pensioengrondslagen zoals omschreven in artikel 6 worden vervangen door het gemiddelde van de pensioengrondslagen over zoveel jaren als naar het oordeel van het bestuur nodig is;
- de verhogingen, zoals bedoeld in artikel 16, in het geheel niet of slechts in beperkte mate worden toegepast over zoveel jaren als naar het oordeel van het bestuur nodig is;
Indien de situatie van tijdelijke onderdekking achterhaald is, heeft het bestuur de bevoegdheid te besluiten de onder het 2e en 3e streepje genoemde maatregelen met terugwerkende kracht geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken.
Artikel 19. Uitgesloten risico's
1. Geen aanspraak op partnerpensioen, tijdelijk partnerpensioen, bijzonder partnerpensioen en/of wezenpensioen of op premievrije opbouw bij arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 11, wordt verleend,
a. indien de werknemer bij de aanvang van de dienstbetrekking vóór 1 januari 1998 heeft geweigerd een medisch onderzoek te ondergaan.
2. Indien de uitslag van een medisch onderzoek bij indiensttreding de herverzekeraar aanleiding geeft:
a. het overlijdensrisico niet in dekking te nemen; en/of
b. het arbeidsongeschiktheidsrisico niet in dekking te nemen; of
c. bij het arbeidsongeschiktheidsrisico bepaalde oorzaken van arbeidsongeschiktheid van dekking uit te sluiten,
zal het fonds de betrokken onderneming hiervan onmiddellijk in kennis stellen.
Dit lid geldt voor verrichte medische onderzoeken voor degenen die vóór 1 januari 1998 deelnemer zijn geworden.
3. Geen aanspraak op premievrije voortzetting van de pensioenverzekering zoals bedoeld in artikel 11, wordt verleend indien het gestelde in lid 2 sub b van toepassing is dan wel indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een krachtens lid 2 sub c van dekking uitgesloten oorzaak.
4. Indien het gestelde in lid 2 sub a van toepassing is, worden op het moment van overlijden van de deelnemer dan wel adspirant-deelnemer afwijkende aanspraken op partnerpensioen, bijzonder partnerpensioen, tijdelijk partnerpensioen en wezenpensioen toegekend conform het gestelde in artikel 12 op basis van de alsdan aanwezige premievrije aanspraken op ouderdomspensioen vermeerderd met de som van de tijdens de periode van deelneming gere- serveerde interne risicopremies ten aanzien van de deel- nemer. De interne risicopremie is de actuarieel benodigde premie voor betrokkene die in het fonds nodig is om de toename van de verplichtingen als gevolg van verwachte overlijdensgevallen te dekken.
5. Voor zover het fonds zijn verplichtingen aan een herverzekeraar heeft overgedragen en de voor deze herverzekeringen verschuldigde premies heeft voldaan, is het fonds slechts aansprakelijk, voor zover de herverzekeraar zijn verplichtingen nakomt.
Artikel 20. Uitbetalingen en pensioenopgaven
1. De pensioenen worden uitgekeerd in maandelijkse termijnen onder inhouding van belastingen en andere verplichte heffingen die ingevolge de wettelijke voorschriften moeten plaatsvinden. Ter keuze van zowel het fonds als de gepensioneerde kan een pensioenuitkering van geringe omvang zoals bedoeld in artikel 32 lid 5 van de Pensioen- en spaarfondsenwet worden vervangen door de uitbetaling van een bedrag ineens, waarvan de hoogte door het fonds wordt vastgesteld. Door de uitbetaling vervallen alle aanspraken op pensioen voor de gepensioneerde.
2. De pensioenen worden in Nederland betaalbaar gesteld en overgemaakt op een door de gepensioneerde aan te wijzen bank- of girorekening. Op verzoek van de gepensioneerde kunnen de pensioenen ook naar het buitenland worden overgemaakt. De kosten die overmaking naar het buitenland met zich meebrengen worden op het pensioen in mindering gebracht. Indien het fonds dit vraagt, dient een bewijs van in leven zijn te worden overgelegd.
3. Jaarlijks wordt aan iedere gepensioneerde een opgave verstrekt van aan hem uit te keren pensioenen en van de in het afgelopen jaar uitgekeerde pensioenen en van de daarop toegepaste inhoudingen.
4. Pensioentermijnen die niet zijn ingevorderd binnen 5 jaar na het jaar van betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald. Indien gedurende 5 achtereenvolgende jaren de pensioentermijnen niet zijn ingevorderd, vervalt het recht op pensioen. Het recht op pensioen vervalt eveneens, indien binnen 5 jaar na de datum waarop het pensioen had moeten ingaan, geen aanvraag op toekenning van pensioen is gedaan. In voorkomende gevallen kan het bestuur naar billijkheid anders beslissen.
Het fonds kan een vergoeding vragen van de aan deze opgave verbonden kosten.
Artikel 21. Afwijkende regelingen
Artikel 22. Afwijking van reglementsbepalingen en onvoorziene gevallen
1. Het bestuur is bevoegd in gevallen waarin een strikte toepassing van dit reglement tot onbillijkheden leidt, in voor betrokkene gunstige zin van de bepalingen van dit reglement af te wijken.
2. In die gevallen waarin het reglement niet voorziet, beslist het bestuur.
Artikel 23. Overheidsmaatregelen
1. Indien van overheidswege maatregelen worden getroffen of regelingen worden voorgeschreven die op pensioenen betrekking hebben of indien het deelnemen in een bedrijfspensioenfonds voor alle of bepaalde groepen van deelnemers verplicht wordt gesteld, kunnen de bepalingen van dit pensioenreglement zonodig worden herzien, met inachtneming van het hieromtrent in artikel 13 van de statuten bepaalde.
2. De aldus vastgestelde regelingen zullen, wat betreft de aanspraken welke daaraan kunnen worden ontleend, als geheel genomen tenminste gelijkwaardig zijn aan de voordien geldende regelingen.
Artikel 24. Inwerkingtreding
1. Dit pensioenreglement is in werking getreden op 1 januari 1992 en is van toepassing op:
a. degenen die op of na 1 januari 1992 in dienst treden van een onderneming en die aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden voor deelneming voldoen;
b. deelnemers en adspirant-deelnemers op wie tot 1 januari 1992 pensioenreglement-1981 van het fonds van toepassing was;
c. deelnemers en adspirant-deelnemers op wie tot 1 januari 1992 pensioenreglement-1978 van het fonds van toepassing was.
3. Dit reglement is laatstelijk gewijzigd dd. 17 februari 1998
Bijlage: Dynamische Premiemethodiek en overgangsartikelen.
Bijlage, behorende bij de overeenkomst dd. 24 december 1996 en bij pensioenreglement A alsmede de pensioenreglementen-1978, -A-1981 en -B-1981
Dynamische Premiemethodiek
Jaarlijks wordt voor de bepaling van de bijdragen aan bovengenoemde pensioenregelingen de volgende procedure gekozen, welke in augustus van het voorafgaande jaar wordt doorgevoerd:
a. Vastgesteld wordt de te verwachten ontwikkeling van de klassieke premiereserve volgens de Actuariële- en bedrijfstechnische nota en van de uitkeringen, steeds aannemende dat de per de laatste balansdatum te dien opzichte uitgevoerde berekeningen normatief zijn en dat de groep der actieven qua omvang en leeftijdsopbouw geen wijziging zal ondergaan (tenzij specifieke beschouwingen zich in uitzonderlijke gevallen daartegen verzetten).
b. Aangenomen wordt verder dat de rentestand 10 jaar na het jaar waarin wordt gerekend, respectievelijk dat de loongroeivoet 5 jaar na het jaar, waarin wordt gerekend, zich verder op het niveau zal bewegen van het gemiddelde van de laatste 20 jaar vóór het jaar van berekening. De loongroeivoet is over enig jaar vanaf 1978 gelijk aan de na 1 januari van het voorafgaande jaar tot en met 1 januari daaropvolgend in de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Boekenuitgeverijbedrijf overeengekomen structurele procentuele verhoging(en) van de bruto maandsalarissen, terwijl voor de jaren vóór 1978 wordt uitgegaan van het indexcijfer, zoals omschreven in artikel 1 onder 1 sub i. van pensioenreglement-1981. Voor de rentestand wordt uitgegaan van het gemiddelde effectieve rendement op Staatsobligatieleningen dat maatstaf is voor de overrentedeling bij de collectieve contracten van verzekeringmaatschappijen (het t-rendement), verhoogd met ¼ %.
c. Aangenomen wordt verder, dat de rentestand van het jaar waarin wordt gerekend, gelijk zal zijn aan die over het eerste halfjaar, terwijl de loongroeivoet over het jaar zo goed mogelijk wordt geraamd; aangenomen wordt dat de loongroeivoet en de rentestand zich tot de jaren sub b rechtlijnig zullen ontwikkelen vanuit de actuele situatie.
d. Het toekomstig rendement op het vermogen wordt geschat door dat van het vorige jaar steeds te corrigeren met één zevende deel van het verschil met de rentestand van het nieuwe jaar.
e. Het vermogen per ultimo van het jaar waarin wordt berekend, wordt geschat op basis van het gekozen model.
f. Er wordt een netto generatiepremie-percentage, uitgedrukt in de salarissom, berekend, zijnde het premiepercentage dat gedurende 35 jaar na het jaar waarin wordt gerekend moet worden geheven zodanig, dat het - samen met het vermogen sub e. - binnen het vastgestelde model juist dekking biedt aan de uitkeringen gedurende die 35 jaar en aan 110% van de over 35 jaren benodigde klassieke premiereserve volgens de Actuariële- en bedrijfstechnische nota.
g. Het rekenpremiepercentage voor enig jaar wordt vastgesteld op het sub f. vastgestelde netto generatie-premiepercentage. De aanpassing van de bijdragen van de deelnemers overeenkomstig de reglementen (en dientengevolge van de door de werkgevers verschuldigde bijdragen) geschiedt door vermenigvuldiging met een factor, met in de teller het volgens de vorige volzin bepaalde premiepercentage en in de noemer het percentage van de salarissom, corresponderende met de bij die salarissom behorende werkgevers- en deelnemersbijdragen zonder toepassing van een aanpassing krachtens de Dynamische Premiemethodiek; de wijziging ten opzichte van de in het voorafgaande jaar gebruikte factor wordt beperkt tot 10% daarvan.
h. De totale, voor bovengenoemde pensioenregelingen in enig jaar aan het Fonds verschuldigde bijdragen van deelnemers en werkgevers gezamenlijk zullen nimmer meer bedragen dan 17% van de salarissom; de uitvoeringskosten worden bij de vaststelling van deze maximum bijdrage niet meegerekend.
Pensioenreglement A van de
Stichting Pensioenfonds Elsevier-Ondernemingen (januari 1998)
Overgangsmaatregelen
Overgangsartikel 1 Begripsbepalingen
Naast de begripsbepalingen in artikel 1 van pensioenreglement-A wordt verstaan onder:
a. AOW-uitkering per 1 januari 1991:
b. franchise per 1 januari 1991:
f 26.097,98;
c. AOW-alleenstaande:
de AOW-uitkering voor een alleenstaande per 1 januari 1991 ad
f 15.066,96 per jaar;d. alleenstaandenpensioen:
het in overgangsartikel 4 omschreven pensioen waarop een per 31 december 1991 ongehuwde deelnemer vallend onder pensioenreglement-1978 respectievelijk pensioenreglement-1981 recht heeft en dat wordt uitgekeerd overeenkomstig het ouderdomspensioen. Dit pensioen vervalt in zijn geheel zodra de deelnemer of gewezen deelnemer vóór de pensioendatum aanspraak krijgt op partnerpensioen. Het alleenstaan-denpensioen vervalt ook wanneer de aanspraak op levenslang en tijdelijk partnerpensioen van de deelnemer of de gewezen deelnemer conform artikel 7 van het pensioenreglement-A is vervangen door een toeslag op het ouderdomspensioen.
Overgangsartikel 2 Overgangsmaatregelen voor deelnemers
Bij toepassing per 1 januari 1992 van de pensioenregeling-A worden voor de deelnemers die per 31 december 1991 vallen onder pensioenreglement-1978 of pensioenreglement-1981 in overgangsartikel 3 tot en met 8 overgangsmaatregelen getroffen.
Overgangsartikel 3 Omrekening deelnemingstijd
3.1 Algemene formule omrekening deelnemingstijd
Per 1 januari 1992 vindt een omrekening plaats van de voor een deelnemer voor de pensioenopbouw meetellende deelnemingstijd krachtens pensioenreglement-1978 respectievelijk pensioenreglement-1981 naar deelnemingstijd volgens pensioenreglement-A.
Het aantal deelnemingsmaanden volgens pensioenreglement-1992 bedraagt:
12 x OP
0,0175 x PG
OP = opgebouwde aanspraak op levenslang ouderdomspensioen per 31 december 1991 in de per die datum voor de deelnemer geldende pensioenregeling; eventuele in het vooruitzicht gestelde aanspraken uit hoofde van overgangsartikel 4 van pensioenreglement A-1981 dan wel van overgangsartikel 2 van pensioenreglement B-1981 (terugwerkende kracht levensjarenbeginsel) over deelnemingstijd van 1 januari 1992 tot de pensioendatum worden hierbij meegeteld.
PG = pensioengrondslag van de deelnemer volgens pensioenreglement-A op basis van het maandsalaris per 1 januari 1991 of eventuele latere datum van opneming in de pensioenregeling-1978 respectievelijk pensioenregeling-1981 en de AOW-uitkering per 1 januari 1991.
3.2 Afwijkende bepalingen bij vaststelling deelnemingstijd
3.2.1 ten aanzien van vrouwelijke deelnemers per 31 december 1991 vallend onder pensioenreglement-1978
Het aantal deelnemingsmaanden, berekend volgens lid 3.1, wordt verhoogd met extra deelnemingsmaanden, op basis van eventuele dienstmaanden van een deelnemer vóór de 30-jarige leeftijd met een maximum van 60. Ter bepaling van dit aantal extra deelnemingsmaanden wordt de werkfactor, welke bij opneming in de pensioenregeling-1978 gold, in aanmerking genomen.
3.2.2 ten aanzien van ongehuwde deelnemers per 31 december 1991 vallend onder pensioenreglement-1978
Voor de opgebouwde aanspraak op levenslang ouderdomspensioen per 31 december 1991 wordt uitgegaan van de aanspraak, bepaald volgens pensioenreglement-1978, alsof de deelnemer per die datum gehuwd zou zijn.
3.2.3 ten aanzien van gehuwde vrouwelijke deelnemers per 31 december 1991 vallend onder pensioenreglement-1981 die hebben afgezien van aanspraken op weduwnaarspensioen:
Bij de opgebouwde aanspraak op levenslang ouderdomspensioen per 31 december 1991 wordt het per die datum opgebouwde ongehuwdenpensioen opgeteld.
3.2.4 ten aanzien van deelnemers waarvoor de deelneming wordt voortgezet conform artikel 2 lid 4 sub b, c dan wel d van pensioenreglement-1992
Voor de pensioengrondslag van de deelnemer wordt uitgegaan van de laatstelijk voor de deelnemer in het voor hem per 31 december 1991 geldende pensioenreglement vastgestelde pensioengrondslag.
Overgangsartikel 4 Aanvullende aanspraken voor de per 31 december 1991 ongehuwde deelnemers
Een ongehuwde deelnemer per 31 december 1991 vallend onder pensioenreglement-1978 respectievelijk pensioenreglement-1981 heeft aanspraak op alleenstaandenpensioen ter grootte van:
a. (M/12) x 0,0175 x (
waarbij:
M = het aantal deelnemingsmaanden gelegen tussen 1 januari 1992 en de pensioendatum van een deelnemer. Wijziging van het aantal deelnemingsmaanden uit hoofde van het gestelde in artikel 6 lid 5 en 6 van pensioenreglement-A worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
f 26.097,98 = de franchise per 1 januari 1991.
f 21.524,23 = 10/7 x AOW-alleenstaande.
- uitsluitend voor een ongehuwde deelnemer per 31 december 1991 vallend onder pensioenreglement-1981:
Het alleenstaandenpensioen ad a. wordt verhoogd met:
b. de opgebouwde aanspraak op ongehuwdenpensioen per 31 december 1991 volgens pensioenreglement-1981; eventuele in het vooruitzicht gestelde aanspraken uit hoofde van overgangsartikel 4 van pensioenreglement A-1981 dan wel van overgangsartikel 2 van pensioenreglement B-1981 (terugwerkende kracht levensjarenbeginsel) over deelnemingstijd van 1 januari 1992 tot de pensioendatum worden hierbij meegeteld; én
c. een extra aanspraak op alleenstaandenpensioen op basis van de volgende formule:
(D resp. D’) x 0,0175 x PG conform Ov.art. 3.1
waarbij:
D = ((6 x AOW-uitkering per 1 januari 1991/JSAL) x WF x 0,3 x (LFTDOPN - 25)
met voor LFTDOMR vanaf 45 jaar tot 65 jaar:
D' = D x (65-LFTDOMR) : 20
waarbij:
JSAL = de pensioengrondslag volgens pensioenreglement-1981, verhoogd met de franchise volgens pensioenreglement-1981, beide van 1991;
WF = werkfactor van de deelnemer over december 1991;
LFTDOPN = leeftijd in maanden nauwkeurig op datum opneming van de deelnemer op wie pensioenreglement-1981 van toepassing was;
LFTDOMR = leeftijd van de deelnemer per 31 december 1991 in maanden nauwkeurig;
- uitsluitend voor een ongehuwde deelnemer per 31 december 1991 vallend onder pensioenreglement-1978:
Het alleenstaandenpensioen ad a. wordt verhoogd met:
d. De opgebouwde aanspraak op levenslang ouderdomspensioen per 31 december 1991 verminderd met de opgebouwde aanspraak op levenslang ouderdomspensioen per 31 december 1991, alsof de deelnemer gehuwd zou zijn, zoals bedoeld in overgangsartikel 3.2.2.
Het alleenstaandenpensioen wordt aan het begin van ieder kalenderjaar, voor het eerst per 1 januari 1992, verhoogd overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van pensioenreglement-A.
Bij beëindiging van de deelneming vóór de pensioendatum anders dan door overlijden of het vervroegd ingaan van het ouderdomspensioen ingevolge artikel 7b lid 1 van pensioenreglement A, verkrijgt de deelnemer een premievrije aanspraak op alleenstaandenpensioen waarbij het uit hoofde van a. en c. toegezegde alleenstaandenpensioen wordt vastgesteld, rechtevenredig met de verhouding tussen het aantal sedert 1 januari 1992 verstreken deelnemingsmaanden en het aantal deelnemingsmaanden gelegen tussen 1 januari 1992 en de pensioendatum, waarbij maanden gelegen na de beëindiging van de deelneming en vóór de pensioendatum worden vermenigvuldigd met de laatstgeldende werkfactor. Wijziging van het aantal deelnemingsmaanden uit hoofde van het gestelde in artikel 6 lid 5 en 6 van pensioenreglement-A word
en hierbij buiten beschouwing gelaten.
Overgangsartikel 5 Bijzondere (tijdelijke) weduwen- en weduwnaarspensioenen uit vorige regelingen van een deelnemer over dezelfde periode van deelneming
5.1 Een bijzonder weduwen- of weduwnaarspensioen toegekend gedurende de periode van deelneming die direct aan 1 januari 1992 voorafging, wordt geacht een bijzonder partnerpensioen te zijn krachtens pensioenreglement-A.
5.2 Een bijzonder tijdelijk weduwen- of weduwnaarspensioen toegekend gedurende de periode van deelneming die direct aan 1 januari 1992 voorafging, blijft voor de gewezen partner verzekerd en wordt aan het begin van ieder kalenderjaar aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van pensioenreglement-A.
Overgangsartikel 6 Voortzetting pensioenopbouw na beëindiging dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid
Een deelnemer die krachtens het per 31 december 1991 voor hem geldende pensioenreglement recht had op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw, houdt zolang als het per 31 december 1991 voor hem geldende arbeidsongeschiktheidspercentage volgens de WAO gelijk blijft, recht op de per 31 december 1991 voor hem geldende mate van voortzetting van de pensioenopbouw. Na eventuele aanpassing na 1991 van het voor hem geldende arbeidsongeschiktheidspercentage volgens de WAO vindt het bepaalde in artikel 11 van pensioenreglement-A toepassing.
Overgangsartikel 7 Tijdelijk dienstverband
Een werknemer die met een onderneming een dienstverband voor bepaalde tijd is aangegaan dat op 31 december 1991, met inbegrip van eventuele aansluitende eerdere tijdelijke dienstverbanden, minder dan een jaar heeft voortgeduurd, wordt, indien aan de voorwaarden voor deelneming aan de pensioenregeling-A wordt voldaan, geacht per 31 december 1991 een deelnemer te zijn in de zin van pensioenreglement-1981 vanaf de aanvang van het eerste hiervoor bedoelde tijdelijke dienstverband, mits door deze werknemer en zijn onderneming de bijdragen krachtens pensioenreglement-1981 zijn voldaan.
Overgangsartikel 8 Bijdragen
Indien:
- de maandelijkse bijdrage over december 1991 van een deelnemer in de per 31 december voor hem geldende pensioenregeling op basis van het maandsalaris dat hij bij normale wekelijkse arbeidsduur zou genieten (A),
meer dan 5% lager is dan
- de maandelijkse bijdrage volgens pensioenreglement-A op basis van het maandsalaris per 1 januari 1991 of eventuele latere datum van opneming in de pensioenregeling-1978 respectievelijk pensioenregeling-1981 en de AOW-uitkering per 1 januari 1991, met inachtneming van een Dynamische Premiefactor van 0,972 (B),
wordt het verschil V (= B - A) bepaald en wordt de reglementaire bijdrage over 1992 tot en met 1995 als volgt verminderd:
Vermindering per maand:
1992: 0,8 x V x werkfactor
1993: 0,6 x V x werkfactor
1994: 0,4 x V x werkfactor
1995: 0,2 x V x werkfactor
Overgangsartikel 9 Hardheidsclausule
Voor de deelnemers:
- op wie op 31 december 1991 het pensioenreglement-1981 van toepassing is, en
- die naar het oordeel van het bestuur als direct gevolg van het vervallen van het levensjarenbeginsel een aanzienlijk lager ouderdomspensioen, partnerpensioen resp. tijdelijk partnerpensioen zullen verkrijgen
zal in 1992 het in het vooruitzicht gestelde ouderdomspensioen, partnerpensioen respectievelijk tijdelijk partnerpensioen worden verhoogd. Bij de afweging of sprake is van een aanzienlijk lager pensioen wordt met pensioenaanspraken uit voorafgaande pensioenvoorzieningen rekening gehouden.
Bij beëindiging van de deelneming vóór de pensioendatum anders dan door overlijden of het vervroegd ingaan van het ouderdomspensioen ingevolge artikel 7b lid 1 van pensioenreglement A, wordt voornoemde aanvulling verlaagd, rechtevenredig met de verhouding tussen het aantal deelnemingsmaanden gelegen tussen de datum van beëindiging van de deelneming en de pensioendatum en het aantal deelnemingsmaanden gelegen tussen 1 januari 1992 en de pensioendatum, waarbij maanden gelegen na de beëindiging van de deelneming worden vermenigvuldigd met de laatstgeldende werkfactor. Wijziging van het aantal deelnemingsmaanden uit hoofde van het gestelde in artikel 6 l id 5 en 6 van pensioenreglement-A wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
Het fonds zal in de eerste helft van 1992 de in het kader van dit overgangsartikel relevante gevallen inventariseren. Het bestuur zal vóór 1 oktober 1992 ten aanzien van deze gevallen beslissingen nemen, de Raad van Deelnemers op de hoogte stellen van de gehanteerde criteria en de betrokken deelnemers informeren. Degenen die terzake vóór 1 oktober 1992 geen bericht hebben ontvangen, kunnen zich tot 31 december 1992 tot het fonds wenden om een beoordeling in het kader van dit artikel te ontvangen.
Terug naar het Overzicht pensioenregelingen.
Terug naar de inhoudsopgave van het Handboek.
Terug naar de homepage van deze website.